Cultuurgeschiedenis

Oudste sporen

De jagende en verzamelende rondtrekkende gebruikers van het gebied lieten maar weinig sporen na in het prehistorische landschap. Hier en daar zijn er enkele werktuigen gevonden uit de vroegste perioden van de oudste steentijden. Anders wordt dat als rond 4000 voor Christus de introductie van de landbouw ook in dit gebied doordringt. Uit deze periode (de nieuwe steentijd) stammen de oudste grafheuvels, waarvan er een bekend is van de Lüzenkamp. Het landbouw-systeem bestond vooralsnog uit kleinere akkers te midden van uitgestrekte bossen.

In de erop volgende Brons- en IJzertijd groeit de bevolking en neemt de invloed van de mens op het landschap toe. Ook dan zijn het grafheuvels en urnenvelden die nog de meest opvallende relicten van die tijd zijn; in het gebied ten zuiden van de Hooibaan is zo een urnenveld bekend (thans niet meer waarneembaar). Uit de Romeinse tijd zijn er in dit gebied geen tastbare sporen bekend. De geschiedenis van het landschap van en rond de Meinweg wordt pas levendig voorstelbaar vanaf de latere middeleeuwen.



"Bergfried" van de burcht Wassenberg.

Gemeenschappelijk gebruik

De (landschappelijke) historie van de gronden van de Meinweg wordt overwegend bepaald door het feit dat het gebied vrij ver van de eerste bewoningskernen was gelegen, daardoor extensief in gebruik was en gedurende eeuwen als gemeenschappelijke woeste grond te boek stond. De naam Meinweg refereert ook aan dit gemeenschappelijk gebruik, zoals "Meinwece", stammend uit ca. 1350 of het Keltische woord "Gemeyne", wat "gemeenschappelijk" of "samen" betekent.

De bewoners van de om dit onontgonnen grensgebied gelegen- kerspels waren gerechtigd deze gronden te gebruiken. Het gemeenschappelijk gebruik van de gronden betrof verschillende aspecten, zoals het gebruik van hout, het weiden van rundvee, paarden en schapen, het uitoefenen van de jacht, het winnen van turf. Vele van deze gebruiken zullen la wel duizenden jaren van toepassing zijn geweest; wat er van bekend ist, dateert echter pas vanaf de middeleeuwen.
In de 16e eeuw werd rijshout van de Meinweg gebruikt voor versterking van de oevers van Roer en Maas. bij het schaarser worden van het hout ontstonden diverse rgels voor het gebruik; juist hierover en over het overtreden daarvan bestaan diverse bronnen.

In de middeleeuwen werden de gemeenschappelijke bossen gebruikt voor het houden van varkens. Omdat ook de vruchtdragende bomen op den duur verdwenen, werd dit steeds minder, hoewel nog wel een varkenshouder rond 1600 op de Meinweg actief was. Ook het recht op de "paardengang" is in de middeleeuwen voor de Meinweg van belang geweest; het is bekend als een Brabants leen in 1350. Rond 1500 was er van het houden van kuddes (wilde) paarden echter al geen sprake meer.

Later werd het gebied wel gebruikt voor de beweiding van runderen en schapen. In 1700 had Herkenbosch een eigen koeherder die de "gemene hehrde" op de Meinweg hoedde. Het houden van vee vanuit de nederzettingen leverden een patroon van paden op die dienden voor de rondgang van de herder met zijn kudde; de zgn. "heerdgangen", zoals die vanuit Vlodrop, o.a. in de richting van de Meinweg.

Van de Meinweg is verder de jacht bekend op rood- (herten, reeen) en zwartwild (zwijnen). Bekend is dat er voor de Meinweg een speciale boswachter in dienst was die de wildstand in de gaten hield (14e eeuw). In de 16e en 17e zijn er heggen in de Meinweg bekend die van belang waren voor de jacht op het wild.



De Nationaalparkregio MeinWeg. Tranchot kaart van 1828.De Nationaalparkregio MeinWeg. Tranchot kaart van 1828.

Verdeling van de gronden

Het begin van 1800 markeert een belangrijke periode in de ontwikkeling van de Meinweg. In die periode worden (voortvloeind uit het grenstractaat van 1816) gronden van de Meinweg toebedeeld aan Nederland. Het toen nog als gemeenschapperlijk gronden bekende Meinweggebied omvatte destijds ca. 2400 ha en er waren in de 15e eeuw 14 kerspels gerechtigd: de steden Wassenberg en Roermond en de dorpen Melick, Herkenbosch, Herten, Maasniel, Ober- en Niederkrüchten, Arsbeck, Birgeleb, Ophoven, Steinkirchen, Karken en Vlodrop.

De verdeling van de Meinweg-gronden bleek een moeilijke zaak, met veel en langdurige touwtrek-procedures. De stukken die werden toebedeeld aan de gemeenten Herten en Roermond steken ver Duitsland in. Deze verdeling verklaart nog altijd de opvallende vorm van het Meinweggebied.



Beeld van St. Ludwig in het centrum van de Nationaalparkregio MeinWeg.Beeld van St. Ludwig in het centrum van de Nationaalparkregio MeinWeg.

Modernere tijd

Door de invoering van kunstmest aan het einde van de 19e eeuw, was het vee in combinatie met de heidevelden overbodig geworden. Veel woeste gronden zijn dan ook ontgonnen om ze voor andere doeleinden te gebruiken. Het Flinke Ven werd drooggelegd en het Herkenboscher Ven werd opgeofferd aan de aanleg van "Ijzeren Rijn" (1878), een spoorwegverbinding tussen Antwerpen en het Ruhrgebied. De spoorlijn zorgde voor een sterke scheiding tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de Meinweg. Het zuidelijke deel is meer in cultuur gebracht dan het noordelijk deel.

Rond 1930 veranderde De Meinweg in snel tempo van aanzien. Grote stukken heide werden in het kader van de werkverschaffing omgespit en met naaldbomen beplant om als stuthout voor de mijnbouw te dienen. De verdeling van bos en heide, zoals wij die nu kennen, kwam op deze manier tot stand. De aantasting van het gebied bleef doorgaan, ondanks dat men tot besef was gekomen dat er hier sprake was van een bijzonder waardevol natuurgebied.

Het Herkenbosscherven was ooit een groot heideven, maar is rond 1950 drooggemalen ten behoeve van de landbouw. Op dit moment krijgt het gebied weer de kans om natuur te worden. Door het aanleggen van poelen, begrazing en verhoging van het waterpeil is het een stuk aantrekkelijker geworden voor wilde dieren en planten. Het Melickerven is eveneens een oud heideven. Dit ven is vrijwel onaangetast gebleven. In dit ven staat er water in en biedt daardoor een woonplaats voor amfibieen en watervogels.

De eerste aankopen door het rijk ten behoeve van de natuur vonden in 1949 plaats. Het beheer van deze rijksgronden komt in handen van Staatsbosbeheer. In april 1990 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besloten het natuurgebied De Meinweg als "nationaal park in oprichting" aan te wijzen, wegens de grote landschappelijke, geologische en biologische waarde van het gebied. Tegelijkertijd is een overlegorgaan ingesteld, waarin betrokken bestuurders, eigenaren en beheerders zitting hebben.

Tegenwoordig wordt het nationaal park op het hoogste niveau beschermd. Het is niet alleen een kerngebied in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), tevens valt het gebied onder de Europese natuurbeschermingswetgeving, namelijk de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn. Het belang als internationaal waardevol natuurgebied wordt door deze bescherming goed onderstreept.

Momenteel orienteren de beheerders, overheidinstanties, recreatie ondernemers en andere belanghebbenden bij de Meinweg gezamenlijk steeds meer op de mogelijkheden voor duurzame en grensoverschrijdende samenwerking in het gebied. Het streven is om het gebied duurzam te blijven beheren en dat er tevens meer duurzame recreatie ontwikkeld en aangeboden gaat worden. Als men hieraan kan voldoen, kunnen alle bezoekers gewaarborgd zijn dat dit een belangrijk gebied is waar het recreatieve gebruik zodanig ist georganiseerd dat het geen schade toebrengt.


Geschiedenis op locatie

In de gehele regio met nationale parken MeinWeg en de 14 kerkdorpen en 4 gemeentes kunnen in het landschap veel getuigen van de lange, gemeenschappelijke geschiedenis ontdekt worden.
» verder

Cultuurgeschiedenis Routen

In de vier gemeenten van het Nationaal Park Meinweg regio zijn met behulp van eigen clubs wandelpaden langs de historische plaatsen en culturele elementen die ofwel verwijzen naar De Meinweg, of van toeristisch of historisch belang zijn.
» verder